Apparaat
Bedrijfsvoering van het kerndepartement: salaris, huisvesting, ICT en ondersteunende diensten.
Op artikel 40 zijn de personele en materiele uitgaven en ontvangsten geraamd van EZ en Klimaat en Groene Groei, voor zover die betrekking hebben op het kerndepartement (Directoraten-Generaal en stafdirecties) en de diensten ACM, CPB en Staatstoezicht op de Mijnen. Enkele stafdirecties van EZ werken als gemeenschappelijke dienst voor EZ, KGG en LVVN; in deze begroting is alleen het EZ- en KGG-aandeel (57 procent) geraamd, de overige 43 procent staat op de LVVN-begroting. De uitgaven aan externe inhuur, ICT en bijdragen aan shared service organisaties worden apart zichtbaar gemaakt en meerjarig geraamd. Tevens bevat dit artikel een raming voor de bijdragen aan DICTU voor opdrachten ten behoeve van de kernministeries EZ en KGG.
De Minister van Economische Zaken is verantwoordelijk voor doelmatige inzet van het apparaat van het kerndepartement en de diensten ACM, CPB en SodM, waarbij de ministeriele verantwoordelijkheid voor SodM is overgegaan naar de Minister van Klimaat en Groene Groei. De personele uitgaven betreffen alle personeelsuitgaven voor het kerndepartement en de diensten, inclusief externe inhuur, sociaal plan, wachtgelduitgaven en kosten voor de landsadvocaat. De materiele uitgaven omvatten onder meer huisvesting, communicatie, ICT en de bijdrage aan het Inkoopuitvoeringscentrum bij RVO, en zijn vanaf 2014 apart zichtbaar gemaakt voor ICT en SSO-bijdragen.
Vanaf 2025 wordt de Nationaal Coordinator Groningen als dienst opgenomen in de BZK-begroting en wordt de Nederlandse Emissieautoriteit als agentschap opgenomen in de KGG-begroting, waardoor deze onderdelen niet langer op artikel 40 van de EZ-begroting worden verantwoord. Voor 2025 wordt voor totaal EZ en KGG een percentage externe inhuur voorzien dat boven de Roemer-norm van 10 procent ligt; maatregelen worden genomen om inhuur te beperken, waaronder bij DICTU een aangepaste bedrijfs- en sourcingstrategie met aanbestedingen, verscherpt toezicht op de duur van inhuur, verambtelijking en samenwerking met hogescholen en universiteiten. Voor RDI geldt voor 2025-2029 een streefpercentage externe inhuur van maximaal 22 procent, met jaarlijkse herijking en waar mogelijk omzetting van extern naar ambtelijk personeel.